Naar binnen gericht


Door het half duister van komende dag
en rosse gloed langs verre strook der horizon
nog kille adem van vroege ochtend
en de dag geen helderheid verschaft
maar sudderend zijn eigen wegen baant
ligt het waanbeeld dat het nooit zal beteren.

Zacht trekt nevel zijn sluiers over velden
ontneemt dikwijls ons ook laatste zicht
op onontbeerlijke warmte van licht
en wij lopen langs zonder elkaar te bemerken
slechts eigen zorgen wegend en bewerken
doen bij eerste zonnestralen de luiken dicht.

Gewoon het geloof


Waarom zo ver bij het geloof vandaan
daar toch het geloof is, zeker weten,
weten waarmee wij verdriet kunnen verslaan
door in liefde niemand te vergeten.

Waarom eigen ego steeds voor het geloof
geen steun of liefde kunnen en willen delen
maar verschil of afstand als brede kloof
geen brug daartussen om een breuk te helen.

Geloof, hoop en liefde wordt ons geleerd
om ooit vrede te kunnen bereiken
ieder in eigen waarde en norm geëerd
zonder op iemand neer te kijken.

En dan krijgen we weersverandering


Heerlijk is dat zomerweer
dat luieren in de zon
ergens op het pas gemaaide gras
of in een luie stoel op het gazon

je humeur is als de zonneschijn
warme licht en mild
en naast je staat een koel glas
met drank waar je niet aan vertilt

langzaam sluiten ogen tegen felle licht
ongemerkt lig je aan palmenstrand
en maakt een schitterend gedicht
zonder dat je merkt dat je flink verbrand

dan ontwaak je door een frisse drop
en palmbomen vallen om
langzaam sla je de moede ogen op
denkt, “Oei, ik ben wel erg dom!”

want in de tijd dat je heerlijk sliep
stak de wind op met donder en geweld
en al die mooie palmboomdromen
zijn door die donderslag geveld.

Herfststemming


Zacht spiegelt water bleke najaarszon
en witte schapenwolken
die roerloos staan aan blauwe herfstlucht

kleurrijk steekt het herfstblad af
door flauwe zonnestralen
accentuerend schaduwen in het bos

stilte, zo nu en dan verstoord,
door burrelen van een hert
of wordt de klop van een specht gehoord

heel ver weg speelt een viool
een wijs van ootmoed en ontzag
nog uit klassieke school.

Laatste kansen

Iedereen zeurt en klaagt
over weer en bar seizoen
kou en wind die vlaagt
men wil zomer overdoen

niemand die ziet
schoonheid van bomen
buiten komt men niet
men zit binnen
kleumen en dromen

maar ik trek er op uit
hoor de laatste vogelzang
en terwijl ik fluit
denk ik, hierop kan ik teren
een heel jaar lang

laatste zonnestralen
breken door ’t dorre hout
tegen kou kan ik me kleden
verder laat ’t weer me koud.

Positief in de morgen


Gedempt licht vertelt in de morgen
de jeugd van komende dag
die vrolijk zingend in de bomen
zijn ogen openspert.

De groene vlakte houdt nog verborgen
wat men in ‘t open veld niet zag
door sluiers die van het water komen
en omlijsten het concert.

Rustig trekt de nevel door de bossen
als zeilen tussen bomen door
houdt de paden nog in half duister
langs de struiken schemerlicht.

Dieren trekken zich terug in dekking
over hun vertrouwde spoor
die zij lopen als in zachte fluister
en verdwijnen uit het zicht.

In de morgen komt men tot de strekking
het belang van het vogelkoor
dat ieder steeds verblijdt met luister
op een dag in evenwicht.

Niet altijd blijft de lucht bedeekt


Lach de regen naar rivieren
waar het vermengt met eigen soort
in kolkend donkere stromen
als uit de wolken waar het viel.

Laat de zon schijnen op een zee
en meren waarheen de regen
is gestroomd en ook weer opstijgt
in warme gekleurde bogen

en zich uitspreid als een sluier
over de velden als een bruid
die lach terug kaatst naar de zon
vanaf sprankeling over zeeën.

Mijn jongensdroom


Je zat voor me in de klas
en je ravenzwarte haren
streken over mijn schrift
nooit heb ik mooier gedicht
op papier gezien

en als ik zacht je haar betastte
stiekem achter je rug
keek je om met zachte bruine ogen
waarin die glimlach
die ik nooit vergeten ben

denk je nog wel aan mij
die “pukkelkop” die achter je zat
waar je toen zacht tegen praatte
of is je herinnering aan mij
uiteen gespat als mijn droom

die dag dat ik je
het stadhuis zag betreden.

Gerijmde liefde


Noem zacht mijn naam als in droom
zoen mij teder op mijn wangen
voel de slag van ons hart synchroon
de klop van ons innerlijk verlangen

laat zacht omhelzend mij je liefde weten
fluister “Ik houd van jou” in mijn oor
nooit zal ik dat dan weer vergeten
’t klinkt als fragment uit ’t engelenkoor

sta, als ik thuis kom, op mij te wachten
en laat mij niet buiten in de kou
want de hele dag zijn mijn gedachten
alleen nog maar bij jou.

Geef mij wijsheid


Wijsheid dat leed verzacht
ik hoef geen kennis
kennis geeft slechts macht
macht geeft verdrukking
voor hen die men veracht

geef mij de wijsheid
die menselijkheid heet
steeds gedienstigheid
vol liefde en geluk
geen hoogmoed
of heerschappij
maar zachtmoedigheid

geef mij bovenal
blijdschap en vertrouwen
zodat ik U loven zal
als een onwetend kind
die zonder kennis
wijsheid door Uw liefde
op zal bouwen.

Hoopvol vooruitzicht in de herfst


De laatste bloem buigt nu haar kop
haar kleurrijk leven houdt nu op
de zon geeft nu niet meer de kracht
dood en verderf is aan de macht.

Ontloken eens uit tere knop
hief zij fier haar kelk op
nu is ’t of zij doelloos wacht
op eindeloze zwarte nacht.

Tot zij zich vlijt op kille aarde
strooit haar kracht die ze bewaarde
en straks na de zonnekeer
ontstaat het nieuw leven weer.

Staat daar haar trotse nageslacht
toonbeeld van schoon en pracht
hoop voor toekomst en leven
dat telkens nieuw wordt gegeven.

Najaarsdagen


Dat jij nu net mijn lievelingsseizoen moet zijn
door je kakelbonte kleuren en geuren van wijn
je lucht wisselend van Pruisisch blauw tot grijs
je stralende horizon in vroege ochtenden.

Na nevelig begin over bedauwde velden
en mistsluiers stijgend uit iedere sloot
diamanten kettingen in kunstige spinnenraggen
en door de bossen reeds de geur van dood.

Dat jij nu net mijn lievelingsseizoen moet zijn
strompelend als het jaar zijn laatste dagen
met al je kleuren en geuren mij steeds behagen
verkillend door geur van dood, verwarmend door wijn.

Paradijselijk vredesland


Nog licht ons hart de gloed der nacht
nog is ons brein slaapdronken
staat reeds de nieuwe dag op wacht
Zijn zon boven de kim te pronken
en wij, wij trachten de glorie te zien
die is beloofd in ver verschiet
overwinning van nachtelijk duisternis
de dag die eeuwig zonneschijn biedt
in paradijselijk land waar vrede is.