Aan einde van de winter


In vele toonaarden hoor ik je lied
zacht strelend aangenaam voor ’t oor
met hoge tonen als tenor uit het koor
je zingt door zonder dat iemand jou ziet

blijf zingen tot genot van ieder mens
breng harten en zielen in vervoering
zoals je ook mij voert in ontroering
hartstocht klinkt in je lied zo intens

al zolang hebben we je moeten missen
in lange wintertijd zo guur en koud
maar jouw zang doet de ellende wissen

vergeten is straks weer het dorre hout
je stem blijf ieder in vreugd onthalen
verwarmt ons samen met zonnestralen

Dag en nacht

1044824_191859034312078_1246851530_n
Zacht vervaagt het licht
maar sprankelt stil na in je ogen
zie net de rimpeling om je mond
die nog vraagt om
aanraking van lippen
als ik met mijn hoofd
op je borst, je gedachten tel
in de slagen van je hart

weeg ik je gevoelens
in de diepte van je adem
voel ik je liefde
in de warmte van je huid
en in stilte je woorden
door de streling van je hand

voor ons brengt het duister
verder geen verschil.

Dag en nacht

Zacht vervaagt het licht
maar sprankelt stil na in je ogen
zie net de rimpeling om je mond
die nog vraagt om
aanraking van lippen
als ik met mijn hoofd
op je borst, je gedachten tel
in de slagen van je hart

weeg ik je gevoelens
in de diepte van je adem
voel ik je liefde
in de warmte van je huid
en in stilte je woorden
door de streling van je hand

voor ons brengt het duister
verder geen verschil.

Gewone dagen


De morgen spreidde voor mij een schoon tapijt
van stralende glinsterende edelstenen
velden onbetreden in maagdelijkheid
waarover muzen als in parelen wenen

sprankelend in kleuren door zon beschenen
gevlijd en gesorteerd op bed van smaragd
tekenen waaraan deze dag mag ontlenen
zonnige hoop na kille en donkere nacht

klinkt boven aardse beslommering zo zacht
in deze natuur gevuld met rijke gaven
het luisterrijk klankvol lied der vogelpracht
genot en rust waaraan ieder zich kan laven

geniet dagen in liefde en vree gekregen
elk van deze is gave gevuld met zegen.

Slootjespringen

Nog zie ik voor me die sloot

Die eerste sloot waar ik

Ooit in ben gesprongen

Belandde in de modder tussen kroos

Terwijl links en rechts kikkers zongen

 

Niet verder dan halfweg

Ben ik naar de andere kant gekomen

In het ijskoud drabberig water

Slechts in tweemaal bereikte ik de overkant

In eenmaal lukte me veel later

 

Nu is het slootje gekrompen net als ik

Slechts nog een greppel vol drab en slik

Maar ook nu zal ik de sprong niet wagen

De overkant bereik ik niet in één keer

En in twee keer zal ’t ook wel niet slagen.

Grote geloofsvraag

http://www.dreamstime.com/royalty-free-stock-photography-holy-supper-image24287727

Wij hebben U bedacht
gemaakt zo wijzelf wilden
een geest ver bij ons vandaan
vergeving van onze fouten
slechts een knecht
in ons persoonlijk bestaan

U lacht ons vriendelijk toe
boven maan zon
en sterren verheven
kwam enkel naar de aard
om onze zonden te vergeven
hoe lieflijk maken wij Uw beeld

maar dan zien wij
in brood en wijn
U heel dichtbij ons staan
in erbarmen raakt U ons aan
zegt; “Ik ben!”
wat zijn wij, Heer, dan klein.

Eeuwen lang


Eeuwen lang bestaat de aarde.
Al vanaf het Paradijs.
Schepping, die de Schat bewaarde,
voor primaire levenseis.

Schat in het leven ingebouwd
en één van vaste waarde,
waar men reeds eeuwen op vertrouwt
en nimmer blind op staarde.

Een Schat die niemand ooit kan zien,
als men er geen oog voor heeft.
Die Schat gaat hem voorbij misschien,
die om “God, noch gebod” iets geeft.

Maar vanaf het begin der aard,
reeds vanaf het Paradijs,
is ieder die Schat zoveel waard,
is ieder daarheen op reis.

Die Schat brengt ons eens de vrede,
eeuwig beveiligd voor roof,
vinden wij op het eind de rede,
in eeuwen lang bewaard geloof.

Muze van-tot


Hoe vaak bewonderde ik niet de ochtendgloed
De gouden glans die de horizon besproeide
Over smaragdgroen veld werd nieuwe dag begroet
Terwijl over ‘t stille meer ’t licht met golfjes stoeide

Schone belofte vanaf ’t eerste uur der dag
Gesteund door allereerste prille vogelzang
Verwekte bij ’t vroeg ontwaken een blijde lach
Die blijft de hele dag tot aan zonsondergang

Wees jij daarna bij nacht mijn heldere maneschijn
Die sterren strooit langs het duister firmament
En wil de hele verdere nacht ook bij mij zijn
Omdat er geen ander is die mij zo goed kent

O muze al besta jij alleen in mijn fantasie
Van ochtendgloed tot ochtendgloed ben jij mijn poëzie

Gewoon rust en geluk


Liefste in de morgen hoor ik
je lach en zie je stralen
voel ik al de warmte
die jou omgeeft
in glans als
smaragd.

Je vurige omhelzing heel de dag
gevuld met passie en liefde
vertaald in tal van geuren
jouw zachte ademtocht
een lieve streling
door m’n haar.

En zacht vlij jij je aan mijn voet
toont nog even stille glimlach
fluisterwoordt zacht geluk
sluit je ogen langzaam
welverdiende rust
wens je liefde.

Verdriet en hoop


Alsof je loopt door ’t leven
verwarmend of ook koel
in vele kleuren beschenen
over bemorste paden
stervende resten gevallen blad
wat eens lauweren van licht waren

langs donkere beelden
die star de aarde klemmen
schaduwen torsen zoals atlas doet
daartussen licht sprankelende feeën
dansend in slanke vormen
in een boeiend samenspel

tijden die herinnering brengen
na ’t sterven van overvloedigheid
tot ‘t witte doodskleed voor vernieuwing
dat verdriet bedekt met reinheid
hoop geeft op hernieuwd leven.

Elk seizoen z’n charme


Nu het blad geen takken siert
en kruinen staan als skeletten
waar door wind en regen tiert
tranen naar beneden spetten

lijkt slechts toekomst in dorre hout
te liggen tussen rotting en nevelvlagen
op zompige bodem nat en koud
waar passen door zuiging vertragen

af en toe een sprankje hoop
een heel klein tekentje van leven
een torretje tussen ’t mos door kroop
meer kan deze tijd niet geven

en ’s avonds bij het knappend vuur
is toch de herfsttijd zo behaaglijk
groen komt weer op langere duur
dat maakt de winter wat draaglijk.

Hoe de dag ook is


Al is de hemel somber en grauw
Behangen met dreigende luchten
Toch schilder ik mijn dag helder blauw
En zal geen regenbuien duchten

Ik schilder min dagen helder blauw
Met groene velden en kleurige bloemen
En veel zonneschijn tegen de kou
Met vlinders te veel om op te noemen

En begint de dag somber en grauw
En huilt de hemel zware regenvlagen
Dan schilder ik de dag hemelsblauw
En laat mij door geen storm verjagen

Ik schilder mijn dagen hemelsblauw
Mijn wereld vol met bloemen
Ik zie de regen aan voor morgendauw
En zal ’s avonds de schepper roemen

Spijt?


Lang niet alles ging zo het moest
misschien nog wel het meeste verkeerd
en veel fouten zijn vastgeroest
of heb ik domweg nooit iets van geleerd.

Mijn ouders hadden over mij vaak zorgen
maar goedmaken kan ik dat niet meer
toch was ik bij hen thuis warm en geborgen
ze ontvingen me met liefde elke keer.

Had ik nu maar naar hun lessen geluisterd
waarschijnlijk was alles anders gegaan
had mijn hart mij nu niet ingefluisterd,
“Wie weet had je nu wel een echte baan”.

Ach, zou ik alles nog over mogen doen.
Zou ik dan even eigenwijs zijn als toen?

Morning mood

Morgenschemer als rode gloed
vlammend langs de horizon
ochtendgeluiden in morning mood
in verten, als van een carillon,
werken van een componist
die in de morgen ons bekoren
gespeeld door een solist
nu een nieuwe dag is geboren

stemming over het ochtendveld,
nog door nevelvlaag bedekt,
door golvende muziek verteld
brengt ons reeds het effect
van vrijheid en ontspanning
een dag die niet meer stuk kan gaan
onder een stralende uitspanning
waaraan de hele dag de zon zal staan.