Ik wil de schone muze zoeken


Ik wil de schone Muze overal zoeken
in het bos op de hei, ergens in het veld
‘t zij als schone maagd of fiere jonge held
Ik wil de schone Muze steeds weer zoeken.

Ik wil de schone Muze overal horen
in klanken van harpen en violen
met reien en gezangen als tegenpolen
Ik wil de schone Muze steeds weer horen

Ik wil de schone Muze steeds behagen
poëtisch spinsel aan haar opgedragen
haar bejubelend in schoonheid van minnedicht

Ik zie schone Muze komen vederlicht
als frêle deken die zich spreidt over velden
Zo vroeg ziet men schone Muze zelden

Één van duizend nachten


Schrijven van mijn hand
zoekt bevend de lijnen
die ik zou lopen door schaduw
van lommerrijke lanen
beschenen door maanlicht

omfloerst door kransen
van kleuren besprenkeld
met sterrenlicht
fonkelend door tere lover
inspirerend tot gedicht

en in heldere beken
sprankelende weerschijn
van nachtelijke romantiek
spiegel uit “Duizend en één nacht”
in een hemelbed.