Ten tijde van Edmund Spencer 1552-1592


Hoelang was ik steeds bereid voor u te strijden
in aanbidding voor uw charme en uw ogen
doch steeds liet u mij door uw afwijzing lijden
toch werd ik elke keer tot u aangezogen.

Wellicht weert gij mij door mijn gering vermogen
kunnen mijn liefdeswoorden u niet bekoren
ik bid u mijn aanwezigheid te gedogen
niets liever wens ik dan uw zoete stem te horen.

Reeds vormen zich op mijn gelaat diepe sporen
door louter droefenis en van vele tranen
enkel tot u wil mijn hart zich toebehoren
dan zou ik mij ten zevende hemel wanen.

Laat mij in mijn verdriet hier niet stil verkwijnen
schenk uw hand dan zal mijn droefenis verdwijnen.

Wat ons achter de horizon wacht


Als dagen mij te zwaar gaan wegen
En nachten mij te duister zijn
Geen bloemen staan langs mijn wegen
Glazen niet meer gevuld met wijn
Waar zal dan nog toekomst wezen
Wie biedt mij dan nog een helpende hand
En zal ik geen eenzaamheid hoeven vrezen
Of sta ik, zoals velen, doelloos aan de kant

Toch trekt mij nog de verre horizon
Waar immer de toekomst verder gaat
Duister verdwijnt nog voor de dag begon
En voor het oog de hemelse glans ontstaat
Geen goud of zilver, noch diamant of smaragd
Of andere aardse schatten en rijkdom
Hebben zoveel warmte en liefde ooit gebracht
Dan dit paradijselijk schitterend heiligdom.