Weer vrij


Vanuit grotten heb ik naar buiten gekeken
Gesmacht naar lucht en licht
Ik zocht een weg, een deur om uit te breken
Maar waar ik heenging, de poort was dicht

Ik smachtte naar de blauwe hemelboog
De warme straling van de zon
De ruime velden rond mij in het oog
De schepping te genieten als de levensbron

O geef mij dan de adem van een zachte bries
Die over velden en door wouden strijkt
Een milde regen die de aarde wies
Het gevoel van geluk dat niet van mij wijkt

Geef mij de vrijheid, open mij de poort
Sluit, voor goed, de grot waar ik was opgesloten
Geef mij een open deur, een woord,
Geborgenheid zo ik ook vroeger heb genoten.

Afschuiven


Ik schrijf de woorden uit mijn ziel
Waarmee ik van jongs af ben vertrouwd
Een principe die ik nooit afviel
Een overtuiging waar ik mijn leven op heb gebouwd

Het zijn niet alleen de woorden uit een boek
Die ik na ’t lezen naast mij heb neergelegd
Het is voor elk het geluk wat ik zoek
Ik blijf het trouw wat er ook wordt gezegd

En al zegt men, ik heb er nooit iets van gezien
Je hebt het werkelijke zoeken van je afgelegd
En voelt je daarom zo verlaten misschien
Maar is schuld geven aan het woord wel terecht?