Het jaar anno domini 18028 N.C.


In late avond na het zinken van Terminis ergens achter de drijvende steenmassa’s en de lijn van Vregatta in de mistige neveldamp der atticulum, zit ik nog rustig na te genieten van het avondmaal met chemicalsium en daarbij een glaasje groenpaarse arseversum. Elke keer brengt mij de smaak van de vers gefabriceerde vinegonne in verrukking. De agrachemisie weten de bijsmaken van de ranzige vetalobilen steeds beter weg te werken door toevoeging van elke keer en scheutje vegetijnse lakmorelle.
En zo bijna indommelend schrik ik op van de sensibelle transinformtieve fibralitaire oproep van een schelle vrouwenstem. Het bleek de buurvrouw Minnawachteld die hier om de hoek, slechts 2 lichtjaren hier vandaan, in de Aardsmysteriestraat woont. Hoe die straat aan zo’n prehistorische naam komt is tot op heden nog steeds een echt mysterie.
Na en welwillende blik op mijn fribraliterzender, meer is niet nodig, antwoord ik; “Ik ontvang je buurvrouw. Wat zijn je problemen?”. Haar stem klonk onzeker. Angstig bijna zou ik zeggen hoewel ze kennelijk haar best deed deze zo normaal mogelijk te laten klinken.
“Egbert,” zei ze (wat haat ik die prehistorische naam) “Egbert, we hebben gasten op bezoek en ik zou graag willen dat jij ook komt. Als je kunt kom onmiddellijk per transfi en als je wilt breng die apart mooie bultergolf van je mee. De gasten zullen beslist belangstelling voor hem hebben”
Het feit dat ze er op aandrong mijn bultergolf mee te brengen deed bij mij een rood sein branden. Iedereen die mijn bultergolf kende was doodsbang voor hem vanwege dat hij buitengewoon agressief is en zeer onberekenbaar kan uitvallen. Hij was dan ook niet voor niets geïmporteerd vanaf de “Grote Beer”.
Ik stapte in mijn transfi, sloot de deur en stond op hetzelfde moment bij de familie Minnawachteld voor de deur. De microbotechiek kende momenteel geen grenzen, zelfs ook letterlijk niet. Wat mij bij het scannen van de straat wel was opgevallen en nogal vrij verontrustte, was dat om de volgende hoek, slechts één half lichtjaar verwijderd, een skeletaratieraket was geparkeerd. Nu moet men weten dat skelettaranen wel de meest walgelijke ruimte monsters in het hele atticulum en ver daar buiten zijn. Bovendien zijn hun raketten vele malen sneller dan onze transfi’s en toch wel super snelle molecusnaren waarmee we toch wel gemakkelijk zo’n dikke vier lichtjaren per zuchtum (minuut) kunnen bereiken. Mocht het geval wezen dat de skelettaranen bij de Minnewachtelds binnen waren, had ik alleen mij bultergolf ter verdediging bij mij en het was maar zeer de vraag of die tegen hen iets uit zou kunnen richten. Hij mag dan nog zo snel en grijpvast zijn en dodelijk in zijn straling, die skelettaranen zijn meestal met grote groepen en oersterk.
Gelukkig had ik bij mijn vertrek uit voorgevoel dat iets niet helemaal in de haak was, een kleine prehistorische snuifdoos, die nog van een zéér verre, verre over-over-over-grootvader geweest moet zijn naar verluid van de overleveringen. Wat er precies in zit weet ik ook niet, maar als je het doosje opent en er stuift per ongeluk iets in je neus en/of ogen, is het of je hoofd barst en je ogen uit hun kassen branden en spoelen.
Precies zo ik verwachtte werd ik gelijk dat ik de deur binnenkwam door skelettaranen vastgegrepen en overrompeld. Al verzette ik mij uit alle macht, er was geen ontkomen aan. Ook mijn bultergolf beet en spuwde gif al wat hij kon, maar die monsters dreigden hem gewoon te wurgen en de volgende stap zou zij dat ze hem met huid en haar verslonden.
Op enig moment verslapte één van de monster zin greep op mijn rechter arm en kon ik bij het doosje van mijn voorvaderen komen. Ongezien wist ik het te openen en blies het met alle kracht die in mijn longen was de kamer in richting de skelettaranen. Wat er toen gebeurde zul je haast niet geloven, maar ze brulden, huilden en vielen vervolgens als zoutzakken op de grond. Mijn bultergolf wist niet hoe snel hij de één na de ander de strot af moest bijten. Daarna sprong hij vergenoegd bij mij op schoot en gaf mij een dikke flap over mijn neus.
Ik werd zwetend in een loeiheet zonnetje wakker op de bank in de kamer, waar ik ongemerkt weggedommeld moet wezen na het eten, met mijn Duitse Staande Draadhaar op mijn schoot. Die me aankeek zo van; “Hé baas, nou is ’t toch wel ’s mijn beurt om te eten!”.
Ik stond weer met beide benen op aarde.

Geef een reactie Je eerlijke mening wordt zeer op prijs gesteld

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.