Van voorjaar tot winter


Zacht ruisten bomen in bries onder voorjaarszon
In kleuren en geuren van jeugd en levenslust
Een wereld waar opnieuw ‘t jonge leven begon
In schaduw van bomen die noden tot rust

En ’t lommerrijk lover zwierde zacht in de wind
In pastelgroene tinten als schitterend smaragd
Aan menig tak die hen met stoere boom verbind
Zo ruiste en zong het stille woud dag en nacht

Nu buigen de kruinen onder gierend geweld
Huilt de wind door kalende takken der bomen
De bladeren dansen hun allerlaatste dans

En zelfs worden hier en daar bomen geveld
De dieren schuilen voor hun winterdromen
Pas na de winter komt alles weer in balans.

Echo


Vanuit ’t dal klinkt luid mijn roep
En d’ echo van de bergen weerkaatst
Verbreekt de stilte om mij heen
Zijn stem klinkt steeds het laatst

Berispend leg ik hem het zwijgen op
Door zelf nu stil te zijn
Maar nog hoor ik vanaf verre top
De echo als refrein

Mijn roep klinkt ver de bergen door
En vormt met mijn echo in verschiet
Eendrachtelijk eenstemmig koor
Beek, waterval en woud overstemmen het niet.