Ècht hoor


“Ik heb haar toch heel ècht gezien,” hield hij bij hoog en lag vol.
“Ze had zilverstralend haar en een figuurtje dat gewoon niet te beschrijven valt. Haar taille was niet veel dikker dan mijn pink. Haar boezem leken twee ontmantelde kokosnoten en haar derrière twee zacht schommelende druiventrossen gedragen door twee ivoren kandelaren. Haar vleugels waren zo teer en doorzichtig dat alleen het ruisen was te horen bij het passeren en de zachte luchtverplaatsing te voelen was.”
Hij leek er voor zichzelf voor 100% van overtuigd dat hij op z’n minst een engel had ontmoet en was er nog totaal door van slag.
Bij voorbaat bewust dat ik hem op geen enkele wijze het onmogelijke van zijn veronderstelling, hoe mooi die ook leek, aan het verstand kon brengen besloot ik toch nog een poging in die richting te doen.
“Hoor nou Gert,” trachtte ik hem aan het verstand te brengen, “engeltjes bestaan heus wel in de hemel, maar op aarde kom je, dat soort engeltjes in ieder geval, niet meer tegen. Al lopen er ook genoeg “Engelachtige” figuurtjes rond.”
“Je wilt me niet geloven, maar als je deze had gezien was je voor haar op je knieën gevallen en had je de grond voor haar voeten gekust!” beet hij mij verontwaardigd toe.
“Kom,” zei ik om de zaak te sussen en hem wat tot rede te brengen, “laten we deze zaak verder maar laten rusten en over wat meer alledaagse dingen praten, hier komen we samen toch niet uit want het is de vraag of ze zich noch weer zal laten zien.”
We gingen samen op het bankje voor mijn huis zitten dar het zeer aangenaam weer was.
Al spoedig ontwikkelde zich nu een geanimeerd gesprek over “koetjes en kalfjes” en Gert scheen zijn ontmoeting met zijn “engel” al weer behoorlijk te vergeten.
Totdat…..!
Plotseling gaf hij mij een por in mijn ribben dat ik haast aan de andere kant van de bank af schoot.
Naar adem happend scheen hij geen woord uit te kunnen brengen en zat alleen maar druk te wijzen.
“Ja, wat heb je nou?” wilde ik weten.
“D..d..daar heb je d’r”, bracht hij er uiteindelijk met moeite uit.
Ik keek in de richting waarnaar hij wees en groette mijn nieuwe buurvrouw.

Hoera voor de zomer


Zolang mijn geheugen reikt ben ik altijd een fervent liefhebber van de natuur geweest. Overal om je heen is het wonder van schepping en leven in alle kleurrijke vormen te zien en verval je van de ene verbazing in de ander.
Vooral de zomer is mijn favoriete seizoen. reeds aan het begin kan ik mij grenzeloos verbazen hoe kleurrijk de wereld gaat worden. Alles blijkt zo gevoelig voor het warme weer.
En niet alleen de tuin met bloemen, maar zeker niet minder kleurrijk zijn de talloze vlinders die daar tussen zweven in sierlijke draai van bloem tot bloem snoepend van de heerlijke nectar.
En wat te denken van de diversiteit van vogelgeluiden van zacht kwinkelerend tot op hoge toon hun dank kenbaar makend. Van eenvoudige huismus tot bont gekleurde specht. Van eentonig getjilp tot uitbundig veeltonig en met schitterende hoge rollers van de nachtegaal. Dat allemaal vertelt ons dat het echt zomer is, ook al valt het weer nog wel eens tegen in dit kikkerlandje.
Over kikkerlandje gesproken, wie wil beweren dat kikkers alleen maar gladde glibberige gluipers zijn die grote bekken opzetten? Ga eens op een zoele zomeravond in de buurt van een “Kikkerpoel” of één of andere ondiepe vijver zitten. Je staat versteld van het muziek(k)ale talent wat die kleine diertjes in koor kunnen produceren. Het zijn niet voor niets “Boerennachtegalen”.
Wie wil overigens ook beweren dat nachtegalen alleen ’s avonds laat of vroeg in de nacht zingen? Hier vlak voor ons slaapkamerraam zit een nachtegaal van het eerste ochtendkrieken tot laat in de avond op zeer luide toon te fluiten. Vooral ’s ochtends heel vroeg als het nog maar nauwelijks licht is natuurlijk. Ik vind zijn lied vreselijk mooi, maar voor mij mag ’t wat zachter en later.
Kortom, ik beleef het leven en de natuur in de zomer als een groot geschenk, waarvoor wij samen met de vogels niet genoeg dank kunnen brengen.