Snoer van edelsteen


Wij kennen de cirkel der seizoenen
De permanente rondgang van het jaar
Waarin dag en nacht elkaar verzoenen
Als zomer en winter verhouden tot elkaar

Maar toch kennen wij niet in ons leven
De tijden die gelijken dag op dag
Als een kleurrijk tapijt aaneen geweven
Zo nu en dan een traan, dan weer een lach

Iedere dag is als snoer van edelsteen
Die wij rond ons midden rijgen
Maar die past wat moeilijk er omheen
Als we te veel omvang krijgen.

Begin tot eind


Wij kunnen niet anders dan wachten
Wachten tot de tijd daar is
En inmiddels gaan we in onze gedachten
Voorwaarts in licht en duisternis

Dwars door muren van ’t verleden
Brekend in toekomstige tijd
Over onzekere paden treden
Waar het heden ons toe leidt

En geruisloos gaan de tijden voort
Van het leven slecht of goed
Tot men op het einde hoort
Dat men afscheid nemen moet.