Gedicht bij maanlicht


Onder de sterrenhemel zag ik je gaan
Daar eenzaam door die donkere straten
Je gezicht vaag belicht door ’t schijnsel der maan
Gezien door uilen die in de bomen zaten

Jij trok je niks aan van sterren noch maan
Noch voelde je de blikken der uilen
Heel even bleef je daar op dat kruispunt staan
Alsof je van richting wilde ruilen

Maar jij vervolgde je weg door diezelfde laan
En nog even zag ik in ’t maanlicht je gezicht
Totdat je voor je huisdeur bleef staan
En ik dacht “Ze is een schoon gedicht”.

Peinzend door de seizoenen


Nog denkend aan die vele jonge jaren
Stoeiend, rennend door het veld
‘k Had nooit gedacht dat ze voorbij zouden gaan
Maar geloofde nog in eeuwige jeugd
Op die plek waar ik ter wereld ben gekomen

’t Is voorbij, de lente en de zomer
De natuur duidt thans het herfsttij
Nu loop ik hier als oude dromer
Mijmerend over de tijd van toen
Op dat pad tussen die hoge bomen
Waar na herfst en winter
Weer nieuw blad zal komen.