Scheppingsmorgen


De aarde als het leven in mist gehuld
Bij het krieken van de vroege morgen
Vanaf de horizon door zonnestralen verguld
Nog niet bezwangerd door last of zorgen

En wolken onder blauw zilvergerand
Vormen afdruk van onze luchtkastelen
Ergens in de verte in het niets gestrand
Blijven kinderlijke fantasieën strelen

Bomen met smaragd zirkoon en diademen
Koesteren zich in warmte van de zon
In glinstering die de adem doet benemen
Een paradijs, als toen de schepping begon

Memorandum


Hoeveel woorden hebben we gelezen
Hoeveel verhalen hebben we gehoord
Hoeveel gedachten zijn bij ons gerezen
En hoeveel hebben we weer gesmoord

Over hoeveel woorden hebben we heen gelezen
Aan hoeveel verhalen hebben we ons gestoord
Met hoeveel gedachten hebben we onszelf geprezen
Maar hebben daarmee nooit de top gescoord

Hoeveel woorden en gedachten zullen wij nog dromen
Over een toekomst vredig en ongestoord
Zullen wij weten dat, dat nooit zal komen
Als wij vergeten die éne Naam, dat éne woord.

Narcistische spiegeling


Hoe schoon is glans van je eigen weerschijn
In immer zwijgend water of spiegelglas
Daar waar geen spoor van rimpeling kan zijn
’t Anonieme, waar nooit zelfreflectie was

Nergens spiegelt men beter dan in oppervlak
Glanzend beschenen door stralende zon
Pas dan voelt men zich werkelijk op ‘t gemak
Gestreeld door zelfzucht als een warmtebron

Hoe licht voelt men zich dan een machtig god
Die minachting voor mensen uit kan stralen
Die zijn begiftigt met een minder lot
Waar men eigen roem en glorie kan behalen

Maar spiegelt men zich in het licht van eigen hart
Dan raakt men dikwijls zelf vernederd en verward.