Van voorjaar tot winter


Zacht ruisten bomen in bries onder voorjaarszon
In kleuren en geuren van jeugd en levenslust
Een wereld waar opnieuw ‘t jonge leven begon
In schaduw van bomen die noden tot rust

En ’t lommerrijk lover zwierde zacht in de wind
In pastelgroene tinten als schitterend smaragd
Aan menig tak die hen met stoere boom verbind
Zo ruiste en zong het stille woud dag en nacht

Nu buigen de kruinen onder gierend geweld
Huilt de wind door kalende takken der bomen
De bladeren dansen hun allerlaatste dans

En zelfs worden hier en daar bomen geveld
De dieren schuilen voor hun winterdromen
Pas na de winter komt alles weer in balans.

Echo


Vanuit ’t dal klinkt luid mijn roep
En d’ echo van de bergen weerkaatst
Verbreekt de stilte om mij heen
Zijn stem klinkt steeds het laatst

Berispend leg ik hem het zwijgen op
Door zelf nu stil te zijn
Maar nog hoor ik vanaf verre top
De echo als refrein

Mijn roep klinkt ver de bergen door
En vormt met mijn echo in verschiet
Eendrachtelijk eenstemmig koor
Beek, waterval en woud overstemmen het niet.

Zoveel vragen


Heer Jezus, weet U eigenlijk wel alle dingen?
Alle dingen die gebeuren hier op aard
Hoort U ons wel de liederen zingen?
Liederen die wij zingen in de kerk of bij de haard.

Ja, ’t wereldgebeuren kunt U lezen in de krant
Dat is iets wat wij dus ook wel weten
En de nood schept tussen ons geen echte band
Ondanks dat zovelen niets hebben te eten

Maar weet U wat er ook werkelijk leeft in ons hart
Hoe wij over onze medemensen denken?
Dat is toch wat elk fatsoen gewoon tart
Wij wensen niets aan armen te schenken.

En vrede daar bekommeren we ons niet om
Elk mens is toch gelijk geschapen
Intelligent of werkelijk heel dom
Ieder moet zich maar verdedigen met eigen wapen

Heer schaamte hebt U ons toch ook geleerd?
Met het voorbeeld van Uw eigen leven
Daarnaar gezien doen wij zoveel verkeerd
Terwijl U ons toch verstand hebt gegeven

Heer, nog eenmaal wil ik U vragen
Denk nog eens aan al ons verdriet en nood
Want daarvoor heeft U toch het kruis gedragen
Breng ons de vrede, die U bracht in de dood.

Onrust

Wat is het toch dat mij naar de verte trekt
Dat mij thuis geen rust doet vinden
Steeds mijn verlangen naar de vreemde wekt
Alsof ik mij aan huis en haard niet kan binden

Wat is de drang die mij steeds drijft
Naar alle hoeken van de aarde
De zekerheid die in mijn geest en hart verblijft
Tot wanhoop en onrust ontwaarde

Waarom dwalen mijn gedachten over de horizon
Daar ver van huis en haard
Naar die plek waar alles eens begon
In de hoop dat alles daar nog is bewaard

Hoe komt het dat ik dool en dwaal
Over straten van het leven
Ergens hoop op warm onthaal
En dat de rust daar wordt gegeven.

Medemens


In witregels van het leven
Staan dikwijls zo vele woorden
Met onzichtbare inkt geschreven
Over pijn of vreugde in veel akkoorden
Slechts in onze ogen staan de lijnen
Waarop geluidloos geschreven staat
En die de waarheid steeds beschijnen
Die aan ’t licht komt vroeg of laat

In die onzichtbare levenswoorden
Die steeds vragen om liefde en begrip
Van hen die tussen de regels hoorden
Nood van een mens tussen wal en schip
Ze staan zo duidelijk geschreven
Als men er aandacht voor heeft
Aandacht voor medemens in medeleven
Als men werkelijk om zijn naaste geeft.

’t Is maar hoe jong…


De dag dat ik nog jong was
Is niet zo lang geleden.
Een kleine 24 uur ongeveer.
Ik kan het me zelfs nog herinneren.
Ach d’r is ook nog helemaal
Niet zoveel veranderd in die tijd.
Zelfs is er geen rimpeltje bijgekomen.
Neu, als ik nu zo in de spiegel
Kijk ben ik nog steeds even knap.
Laten we eerlijk wezen,
’t Had beter gekund
Maar dat is ook meestal ’t geval.
Ik ben best heel tevreden over mijzelf
En mijn vrouw mag
Ook nog wel heel trots wezen.
Ik geloof wel dat de tijd
Aan mij is voorbij gegaan,
Minimaal een dag of wat.
Wat is wel het geheim
Van deze eeuwig durende jonge schoonheid.
M.i. zit ‘m dat in het schrijven.
Zolang en zoveel schijven
Dat iedereen het net zo
Gaat geloven als jezelf.
Ja hoor, ik ben nog
Écht een piepjong kereltje.
Nog geen haar (dat vooral) ouder
Dan in lang vervlogen tijd.
Alleen…. de kalender rekt zich steeds uit.

Moderne dieren- en natuurliefde

Edelhert in Oostvaarderplassen totaal ondervoed

Natuurlijk houden we van natuur. We kunnen niet leven zonder. Alhoewel…., persoonlijk snap ik niet dat er mensen zijn die op een kluit kruipen in grote wereldsteden en geen flauw idee hebben wat en hoe de natuur is. Die geen flauw benul hebben dat ijsberen aan de Noordpool leven en leeuwen in Afrika of pinguïns aan de Zuidpool en niet onder de evenaar voorkomen.
Het meest bevreemdende van dit vind ik dan nog dat dergelijke mensen vanachter bureaus de mensen die in de vrije natuur wonen willen leren en voorschrijven hoe ze het moeten aanpakken.
Veel sterker nog, zij ontwerpen de plannen en weten exact (?) hoe het verloop is wanneer men de natuur zijn vrije gang laat gaan. Zo weten ze ook wat natuurlijk is, hoeveel de natuur kan verdragen, welke dieren echte natuur zijn, welke maatregelen getroffen dienen te worden om de dieren zo optimaal aan voedsel te laten komen (ev. zónder bijvoedering en/of afschot) en plaatsen vervolgens de grootste voedselconcurrenten op een veel te kleine oppervlakte bij elkaar.
U begrijpt waar ik heen wil, de totaal scheve en steeds verslechterende toestanden in de Oostvaarderplassen. Punt één; van de zgn. “Grote grazers” zijn er maar twee welke hier in Nederland authentiek voorkomen, de ree en het edelhert, het damhert komt van oorsprong niet uit Nederland. Punt twee; van deze dieren is (buiten deze twee) geen enkel van oorspronkelijke natuurlijke afkomst. De Königspaarden werden in Mongolië gefokt en gedomesticeerd, het Hackrund is een in Ierland ontworpen en gefokt rundersoort, de naam van de Schotse Hooglander zegt al dat het een normaal Schots rund is.
Dus de opzet van de Oostvaarderplassen is om de natuur geheel zijn eigen gang te laten gaan zonder enige bemoeienis van de mens. Wat gebeurt er nu echter? Men ziet steeds toenemende voedselschaarste door overbegrazing van veel te veel begrazers met als gevolg ook steeds meer toename van verzwakking en sterfte onder de dieren die door gebrek aan natuurlijke aanleg en beschutting een jammerlijk einde vinden.
Als ik u beschrijf welke toestanden daar onder de dieren voorkomen, rijzen u de haren ten berge. Tenminste als u een werkelijk dierenliefhebber in hart en nieren bent. Königspaarden die met een half verrot veulen uit hun vagina dagen rond strompelen voor ze sterven. Of runderen die totaal verzwakt in de moerassen zakken en verdrinken. Dieren die ’s winters door veel te dun ijs zakken en, zo ze al niet verdrinken, gewoon bevriezen omdat ze kletsnat in de vrieskou lopen zonder dat ze beschutting kunnen vinden. En zo zijn er nog legio voorbeelden op te noemen.
Geen punt! We hebben verschillen de oplossingen! De immer bezorgde dierenbescherming is voor bijvoedering, Waar en waarom verbiedt ze dat nu ook al weer? Staatsbosbeheer, de beheerder van het gebied, is voor afschot van verzwakte dieren (tussen december 2014 en mei 2015, maar liefst zo’n 280). En volgens mijn inschatting is de mening van het overgrote deel van nuchter denkende Nederlandse mensen dat een volkomen ontmanteling van het totaal mislukte project “Oostvaarderplassen” de enige diervriendelijke en economische oplossing welke mogelijk is.
Ons landje is te kleinschalig voor natuur op grote schaal. En wat men in de Oostvaarderplassen van plan is om het hele gebied in of voor 2018 op de kop te zetten om weer nieuwe gewassen aan te planten als voedsel, kost miljoenen zo niet miljarden, en heeft niets met vrije natuur te maken waarin de mens geen bemoeienis heeft. Bovendien gaan er steeds meer stemmen op om de dieren bij te voederen. Ik vraag me nu werkelijk af of mensen zo kortzichtig zijn danwel zo weinig inzicht hebben in ontwikkeling van werkelijke natuur waarin menselijke bemoeienis ook inderdaad niet noodzakelijk is. Of de gehele natuur enkel willen zien als één grote dierentuin waar alle risico’s van ziekte aanwezig zijn. Immers waar bijgevoerd wordt zullen de dieren ongebreideld uitbreiden. Dieren vermeerderen al naar gelang het voedselaanbod, tenminste in theorie, maar men moet er wel rekening mee houden dat in de natuur altijd het recht van de sterkste geldt. Dus als men twee groepen voedselconcurrenten naast elkaar plaatst, wat in de Oostvaarderplassen volop gebeurd, zal altijd de sterkste groep zich uitbreiden ten koste van de zwakkere.
Wanneer zal Staatsbosbeheer en hun aanhangers nu eindelijk eens inzien en toegeven dat het gehele geldverslindende project “Oostvaarderplassen” een totale mislukking is dat enkel een speeltje voor emotievolle dromers is en bovenal een vernietigingskamp voor dieren en natuur.

Je staat versteld


Je staat zo dikwijls versteld hoe de mensen met de natuur omgaan. Heus lang niet altijd met opzet, maar men beschouwt de natuur dikwijls zo gemakkelijk als hun eigendom waarmee men kan doen en laten wat men zelf wil.
Ach, we hebben uiteindelijk de wereld en de natuur óók ontvangen om er voor een groot deel gewoon van te genieten. Maar laten dat wel doen met alle respect voor wat ons ten dienste is gesteld en de eventuele rommel ook weer opruimen. Daar we beslist geen plezier beleven aan ergernis van andere mensen die ook op hun manier van de natuur willen genieten.
Maar wat blijkt? In heel veel gevallen trekt de natuur zelf zich helemaal niet zoveel van ons nonchalant en/of egoïstisch gedrag aan, maar weet er in vele gevallen zelfs zij voordeel mee te doen. Pak bijvoorbeeld eens voorzichtig een weggeworpen kist o.i.d. op en kijk eens hoeveel torretjes, insecten, wormen en slakjes daar onder leven, dikwijls vergezeld door een muizen- of mollengang die op hun beurt daar hun tafeltje gedekt vinden.
Kijk eens onder een oude fiets of ton die zomaar ergens “slordig” in het bos of veld is achtergelaten. Grote kans dat je er één of andere ingang van een konijnenhol o.i.d. vindt dat op deze manier beschermd wordt tegen eventuele predators als vos, marter, honden, en dergelijke.
Zo zie je maar onze domheid hoeft beslist niet altijd funest te wezen. Maar aan de andere kant wil dat natuurlijk ook absoluut niet zeggen dat we de natuur er altijd maar een groot plezier meedoen om de troep gewoon rond te laten slingeren met alle gevaren van dien. En… a.u.b., kom me nu ook niet aan met smoezen als; “Zie je nu wel, dat hebben we met opzet daar gedumpt”. Als eventuele hulpmiddelen nodig zijn kan dat evengoed gebeuren met bestemde middelen als door weggegooide rotzooi.
Overigens gebeurt de recycling, zoals ik hiervoor beschreef, beslist niet alleen hier op het droge. In de bossen of ergens in de berm waar wij het dadelijk visueel kunnen waarnemen, maar des-te-meer in de zeeën en oceanen waar men tegenwoordig bewust scheepswrakken niet bergt, maar expres op de bodem laat liggen. En daar sta je echt versteld in de positieve zin zoals daar die wrakken gaan dienen als kunstriffen. Een buitengewone interessante waterflora ontwikkelt zich daar rondom.
Dus…. Op deze manier werken wij mensen heel dikwijls meer mee aan een optimale levenscyclus dan wij zelf beseffen. En misschien is juist dit laatste wel het domste van ons doen. Dat onbewuste omgaan met de natuur en elkaar betuttelen op gedrag wat juist de natuur ten goede komt.

Geniet van de natuur en verwonder je over de zaken waar de natuur het zelf van ons overneemt. Ook dat is een heel groot wonder waarover je versteld zult staan

Dromen aan zee


Golven rollen als branding over het strand
En spoelen wieren, schelpen en wrakhout aan
Wissen sporen van verleden uit het zand
Maar de deinende zee blijft altijd zelf bestaan

Vanaf d’ horizon rollen golven af en aan
En peinzend op ‘t duin over verre watervlak
Zie ik tot ver blinkend witte vogels gaan
Zwevend op thermiek met onvoorstelbaar gemak

In mijn droom zweef ik over de golven mee
Ver tot over eindeloze horizon
Tot daar waar de blauwe hemel raakt de zee
En in vroege ochtend de nieuwe dag begon

En als d’ avond valt hoort men vanaf het strand
De branding over ’t duin tot ver in ’t binnenland

Tweezijdige herfst


Door nevelig schemerlicht tussen bomen
luisterend naar zachte bries door kleurrijk blad
zwervend over het kronkelend pad
loop ik genietend van de herfst te dromen

hoor de houtduif zacht in de kruinen koeren
zie eekhoorn springen van tak op tak
een hinde vlucht, niet zo op haar gemak,
iets verder maken lamprijen de raarste toeren

even ben ik in rust gaan zitten op een bank
genoot van de stilte en het vredig leven
een moment heb ik mijn ogen opgeheven
en daar mijn handen gevouwen in dank.

Droomwensen


De wensen die wij allen kennen in dromen
Die in illusie vast geworteld in ons zit
De wanen waarvan wij nooit los kunnen komen
Van hoop op rijkdom en steeds groter bezit

Zij bouwen kastelen van waterdamp en lucht
Ontworpen met onze rijkste woordenschat
Verwaaien menigmaal met ingehouden zucht
Langs Pruisisch blauw in gouden rand gevat

Zo vormen zij tezaam ons schijnbestaan
In mijmering of onwezenlijk streven
Om niet in werkelijkheid ten gronde te gaan
Maar liever in onze fantasie te leven

Ach d’ aardse werkelijkheid is wreed en hard
Maar geen enkele droomwens heeft die ooit ontward.

Ècht hoor


“Ik heb haar toch heel ècht gezien,” hield hij bij hoog en lag vol.
“Ze had zilverstralend haar en een figuurtje dat gewoon niet te beschrijven valt. Haar taille was niet veel dikker dan mijn pink. Haar boezem leken twee ontmantelde kokosnoten en haar derrière twee zacht schommelende druiventrossen gedragen door twee ivoren kandelaren. Haar vleugels waren zo teer en doorzichtig dat alleen het ruisen was te horen bij het passeren en de zachte luchtverplaatsing te voelen was.”
Hij leek er voor zichzelf voor 100% van overtuigd dat hij op z’n minst een engel had ontmoet en was er nog totaal door van slag.
Bij voorbaat bewust dat ik hem op geen enkele wijze het onmogelijke van zijn veronderstelling, hoe mooi die ook leek, aan het verstand kon brengen besloot ik toch nog een poging in die richting te doen.
“Hoor nou Gert,” trachtte ik hem aan het verstand te brengen, “engeltjes bestaan heus wel in de hemel, maar op aarde kom je, dat soort engeltjes in ieder geval, niet meer tegen. Al lopen er ook genoeg “Engelachtige” figuurtjes rond.”
“Je wilt me niet geloven, maar als je deze had gezien was je voor haar op je knieën gevallen en had je de grond voor haar voeten gekust!” beet hij mij verontwaardigd toe.
“Kom,” zei ik om de zaak te sussen en hem wat tot rede te brengen, “laten we deze zaak verder maar laten rusten en over wat meer alledaagse dingen praten, hier komen we samen toch niet uit want het is de vraag of ze zich noch weer zal laten zien.”
We gingen samen op het bankje voor mijn huis zitten dar het zeer aangenaam weer was.
Al spoedig ontwikkelde zich nu een geanimeerd gesprek over “koetjes en kalfjes” en Gert scheen zijn ontmoeting met zijn “engel” al weer behoorlijk te vergeten.
Totdat…..!
Plotseling gaf hij mij een por in mijn ribben dat ik haast aan de andere kant van de bank af schoot.
Naar adem happend scheen hij geen woord uit te kunnen brengen en zat alleen maar druk te wijzen.
“Ja, wat heb je nou?” wilde ik weten.
“D..d..daar heb je d’r”, bracht hij er uiteindelijk met moeite uit.
Ik keek in de richting waarnaar hij wees en groette mijn nieuwe buurvrouw.

Hoera voor de zomer


Zolang mijn geheugen reikt ben ik altijd een fervent liefhebber van de natuur geweest. Overal om je heen is het wonder van schepping en leven in alle kleurrijke vormen te zien en verval je van de ene verbazing in de ander.
Vooral de zomer is mijn favoriete seizoen. reeds aan het begin kan ik mij grenzeloos verbazen hoe kleurrijk de wereld gaat worden. Alles blijkt zo gevoelig voor het warme weer.
En niet alleen de tuin met bloemen, maar zeker niet minder kleurrijk zijn de talloze vlinders die daar tussen zweven in sierlijke draai van bloem tot bloem snoepend van de heerlijke nectar.
En wat te denken van de diversiteit van vogelgeluiden van zacht kwinkelerend tot op hoge toon hun dank kenbaar makend. Van eenvoudige huismus tot bont gekleurde specht. Van eentonig getjilp tot uitbundig veeltonig en met schitterende hoge rollers van de nachtegaal. Dat allemaal vertelt ons dat het echt zomer is, ook al valt het weer nog wel eens tegen in dit kikkerlandje.
Over kikkerlandje gesproken, wie wil beweren dat kikkers alleen maar gladde glibberige gluipers zijn die grote bekken opzetten? Ga eens op een zoele zomeravond in de buurt van een “Kikkerpoel” of één of andere ondiepe vijver zitten. Je staat versteld van het muziek(k)ale talent wat die kleine diertjes in koor kunnen produceren. Het zijn niet voor niets “Boerennachtegalen”.
Wie wil overigens ook beweren dat nachtegalen alleen ’s avonds laat of vroeg in de nacht zingen? Hier vlak voor ons slaapkamerraam zit een nachtegaal van het eerste ochtendkrieken tot laat in de avond op zeer luide toon te fluiten. Vooral ’s ochtends heel vroeg als het nog maar nauwelijks licht is natuurlijk. Ik vind zijn lied vreselijk mooi, maar voor mij mag ’t wat zachter en later.
Kortom, ik beleef het leven en de natuur in de zomer als een groot geschenk, waarvoor wij samen met de vogels niet genoeg dank kunnen brengen.