Twee oppermachten


Wat is een God, Zijn naam betekend liefde,
De schepper van al wat is en leeft
Die met Zijn geest het hemelruim doorkliefde
Aan ieder schepsel Zijn genade geeft

Hoe zou die God, die liefde is
Van Zijn schepselen dood kunnen vragen
Of vervloeken met hel en verdoemenis
En niet Zijn Eigen kinderen verdragen

Maar hier op aarde heerst Zijn antagonist
In vele vormen als dodelijk rivaal
Hij is de nietsontziende antichrist
Voor heel de schepping is hij fataal.

Levensmuziek


Dwalend door het woud van woorden
Klanken en stemmen overal
Tussen verschil in tonen en akkoorden
Wordt ik gezogen naar een waterval

Een waterval van zang en spraak
In elan van een wonderlijk licht
Een melodie nog in de maak
Een komende strofe van een gedicht.

Dwalend tussen ritme en maat
Zoekend muziek als een dans
Een welluidende rode draad
Tussen leven en stralenkrans