Claustrofobisch angstbeeld


De nacht is duister en diep
En spaarzaam schijnen lantarens
In de mistige natte steeg
Waar ik diep in mijn kraag verscholen
Over ’t glanzend nat plaveisel ga

Troosteloos staren donker ramen
Als koolzwarte niets ziende ogen
Gevat in gevels als kale doodskoppen
Mij angstwekkend luguber aan
En ik heb geen wens dan deze
Doodse stad zo snel mogelijk te verlaten.