Rondom mij


Als ergens donder raast
Bliksemflitsen klieven duister
En gierend briest de storm

Denk ik aan jaren terug
Toen ik angstig wegkroop
In een hoekje van de kamer
Mijn handjes beschermend
Voor mijn ogen

Maar donder raasde boven al
En ’t licht zeefde
Tussen mijn vingers
De onrust was overal
Om mij heen en in mij

Nu is er
Zelfs ook zonder
Donder of bliksem
Altijd licht en rust
Om mij heen en in mij

“Obscure” droom


Als al mijn wensen uit mochten komen
Ik wellicht al stinkend rijk zou zijn
Waarvan zou ik dan nog kunnen dromen
Of leven zonder argwaan en chagrijn

Laat mijn wensen nog volop stromen
In een leven vol verwachten en plezier
Waarin ik aan verveling kan ontkomen
Door afwisseling van werk en vertier

Waar zou ik al mijn geld moeten spenderen
Als ik van alles meer dan genoeg al had
Misschien kan ik voor Sinter Klaas leren
Maar dan één die geen zwarte Piet bezat.

Zo is de muze


Niets kan haar charme evenaren
De gratie die haar schoonheid toont
De élégance van haar gebaren
De glimlach waarmee ze bewondering beloont

Haar stem is die van duizend snaren
Bewogen in een zachte wind
Die vrolijk speelt met haar gouden haren
Haar gezicht onschuldig als van een kind

Haar taille slank als berkenbomen
Haar handen blank en glad als elpenbeen
Ogen om steeds van te dromen
Om haar bekoring kan niemand heen

Geen mens zal haar ooit kunnen behouden
Al is ze ook niemand ontrouw
Er waren zoveel die op haar steun bouwden
Maar een muze kent nu eenmaal geen berouw.

Steeds die twijfel


Lieve Heer, U zit daar nu wel boven
En ziet alles wat hier op aard gebeurt
Maar moeten wij dat allemaal geloven
We hebben al zoveel ellende betreurd

Eens, zegt U, mag ieder bij U komen,
Eens zal voor ieder de hemel opengaan
Komt er een eind aan alle dromen
Zullen ook wij door ’s hemels zalen gaan

Maar toch blijven wij inmiddels wachten
Hier op deze bedorven aard
Blijven hier met al onze klachten
Heer, is dat het wachten waard

U vraagt ons op Uw woord te vertrouwen
Maar voor ons is ’t zo ongewis
Of wij daar echt op kunnen bouwen
Of Uw belofte betrouwbaar is

Maar wat zou ons aardse leven wezen
Als dat voor ons ‘t eind van alles is
Als niet na de dood onze ziel gerezen
In het bloed van Uw vergiffenis.

Onvoorspelbaar


Als stormen nooit voorbij zouden gaan
De zee altijd ruw zou blijven
Wolken altijd bedekken zon en maan
Nooit van de hemel zouden drijven

Dan is de wereld somber en grauw
En blijft de aard in duister verborgen
Dan straalt geen warmte, enkel kou
En bestaat ’t leven enkel uit zorgen

Maar iedere dag rijst weer de zon
Straalt haar schijn over de aarde
Schemert de kim waar ’t licht begon

En terwijl de stormwind bedaarde
Komen ook de golven weer tot rust
Wordt heel de schepping weer gesust.

Erfenis van dichter


Wat zal er ter mijner nagedachtenis staan
Anders dan een steen met anonieme naam
Ruw gepolijst door ambachtsman zonder faam
Een zerk waarlangs men zonder aandacht zal gaan

Geen woord van mij zal er zijn die men nog kent
Geen gedachte welke men nog zal delen
Niemand zal op mijn tekst een liedje kwelen
Wie schenkt ook aandacht aan zo’n onbekende vent

Toch ga ik door met daag’lijks mijn versjes schrijven
Al neem ik wellicht mijn woorden allen mee
Want nee, wie schrijft zal heus niet altijd blijven

Wat ik droeg was emmers water naar de zee
In translucide ongekleurde woorden
En in de branding verstomden de akkoorden.

Oneindige weg


Onrustig wacht ik op het komen
Van dagen die ik nog niet ken
Blijf stil hopen en dromen
Van een toekomst nog heel ver
Van lanen met bloeiende bomen
Dromen van geluk als ik daar ben

Soms loopt een weg niet verder
Denkt men aan het eind te zijn
Maar komt men aan de horizon
Loopt daar een nieuwe weg
Een weg met bloemen en bomen
Daar kan ik verder hopen en dromen.

Gevorderd begrip


Kun je mijn gedachten horen
’t denken dan verstaan
mijn gevoel beleven
angsten soms weerstaan
kun je mij vertrouwen geven
om naar de toekomst toe te gaan

sla je arm om mijn schouder
leg je hand in die van mij
samen worden we steeds ouder
maken ons van verleden vrij
jij kunt mijn gedachten horen
en mijn denken verstaan.

Paden


Geen wegen waar mijn voeten gaan
De aarde draagt slechts slijk
Dromend ga ik langs eigen baan

En ergens ligt een grote stad
Ik nader reeds de buitenwijk
Waar geen verkeer zich horen laat
Bereikbaar over ’t smalle pad

De echo geeft haar klanken weer
Tussen satijn en goudbrokaat
Kaats vanuit ivoren poorten neer
Door straten met duizend edelstenen

Daar zijn wegen waar mijn voeten gaan
Over voorgebaande paden
Zal ik mijn zijn aan droom ontlenen.

Controverse


Wat zouden bergen zijn
Als er geen dalen waren
Wat zijn rivieren
Zonder oevers wuivend riet
Wat zijn vlaktes
Zonder nevelige wouden
Aan horizon in ‘t verschiet

Wat is een hemel
Zonder wolken
Zonder vogels langs het blauw
Een strand zonder zee
Een zee zonder branding
Een vogel zonder zang
Een helder ochtend zonder dauw

Kortom…, wat ben ik zonder jou?

Ons hart


Schilderij; Hans Versfeld

Laat geen hart koud zijn als gure winterdag
Kleurloos, hard, grauw bedekt door wolken
Alsof er nooit geen warmte meer wezen mag
Slechts afgunst ons innerlijk kan bevolken

Laat elk hart warmer zijn dan een zomerdag
In stralende zonneschijn geboren
In glans die men aan de horizon ooit zag
Met vogelzang die elk mens kan bekoren

Laat elk hart zijn als het groen der bomen
Beschermend tegen regen en felle zon
Waar mensen in schaduw kunnen dromen
Over de belofte waarmee deze dag begon

Een weg door nevel


Blindelings ga ik door de laan der nevelen
Voetstaps tastend naar het pad der wijzen
Ontwaar bomen als mistige schimmen rijzen
Die bedreigend boven mijn hoofd prevelen

Laat mij slechts leiden door mijn intuïtie
Geen vermoeden waar ik ooit stranden zal
Bereik ik de top of kom ik eerder ten val
In wanhoop beraad ik mij op mijn positie

Waar vind ik eens het eind der nevelingen
Een zicht tot de horizon over verre velden
Een land waar geslachten over vertelden
Waar de zon altijd schijnt en vogels zingen.